Het is 12.00 uur. De kinderen voor het studieprogramma komen binnen. Stempelboekjes worden ingeleverd en gestempeld, handen worden gewassen en eten en drinken worden geserveerd. Hoe was het op school? Goed is het standaardantwoord uit een paar kindermonden. Wat hebben jullie gedaan op school? Geschreven is het volgende standaardantwoord. En wat heb je dan geleerd? Ehh…, dat weet ik niet meer. Na het eten wordt er nog even naar de wc gegaan en daarna gaat iedereen naar zijn lokaal waar in twee shifts  van  driekwartier lesgegeven wordt.  In één shift krijgen ze Roemeens en in de andere shift rekenen.

Ik trek de kast open en haal de werkmapjes eruit voor het rekenen en deel ze uit aan de kinderen. Nu știu! (weet ik niet)  hoor ik Maria (foto) schreeuwen. Tjonge, je heb nog geen tien seconden je werkmap en je weet het nu al niet meer. Je heb nog niet eens gekeken! Nu știu! Klinkt het nog een keer door haar keel. Je gaat het eerst maar even zelf proberen. Ik heb het je gisteren en eergisteren uitgelegd door samen die aftreksommen te maken. Een paar minuten later kom ik alsnog bij Maria kijken wat ze gedaan heeft. Je hebt nog helemaal niets gedaan! Nu știu komt er nogmaals door haar keel. Nou laat maar eens even kijken. Lees de som eens voor. Drie min één is gelijk aan. Goed zo! Wat zie je in de afbeelding? Blokjes. Goed zo. Hoeveel blokjes zie je in totaal? Drie. Heel goed Maria. Dat is het eerste en grootste getal. Volgende obstakel. Hebben we het over erbij of eraf? Het blijft even stil. Met een beetje geduld zegt ze gelukkig eraf. Heel goed. Wat betekent eraf? Er gaat al een streep door een blokje. Hoeveel blokjes houd ik er dan over? Twee. Een glimlach komt boven. Heel goed. Schrijf maar op. Nu de volgende zelf. Het gezicht vertrekt weer. Nu știu!  Lees maar weer voor. Vier min één is gelijk aan? Al heel snel komt het antwoord. Drie! Ze kijk mij aan en wacht op een bevestiging. Heel goed Maria. Zie je  nu wel dat je het kan. Er komt weer een lachje boven.

Maria is niet de enige die zo onzeker is. Kinderen vragen constant naar bevestiging en wanneer ik soms kom om te kijken of het goed gaat dan hebben ze de gum al in de aanslag om alles uit te gummen. Bang om fouten te maken. Maar waar komt deze angst vandaan? Hiervoor werden mijn ogen geopend op de lagere school. In het volgende voorbeeld waar er velen van zijn leest u een feitelijke  reconstructie hoe je bij een rekenles kinderen bang en onzeker kunt maken.

We zitten in klas twee. Er worden vier sommen op het bord geschreven die iedereen in zijn eigen schriftje moet zien op te lossen. Als je klaar bent komt de juf langs om te kijken of je het goed gedaan hebt. Ook het meisje vooraan heeft haar sommen af. De juf controleert. Allemaal fout! Onder een afkeurende blik wordt er een liedje gezongen waar een paar kinderen meezingen dat ze het fout gedaan heeft en weer opnieuw moet beginnen. De juf kijkt haar nog even scheef aan en loopt dan weer verder. Er wordt niets uitgelegd hoe ze het wel moest doen. Het kind zakte weg in haar schoolbankje en de pijn in haar ogen is van de buitenkant zichtbaar. Ze doet tot aan het einde van de les helemaal niets meer. Aan het einde van de les vraag ik de juf of ze de sommen nou echt begrepen heeft, want ze had toch wel erg veel fout. Ach, zegt de juf. Ze was gewoon niet attent.

Wat mij verder opviel in de klassen is dat alle rekenschriftjes vol  staan met sommen, sommen en nog eens sommen. Wij noemen dit mechanisme. Logisch nadenken en het begrijpen van de som is er nauwelijks bij. We merken dit heel erg bij onze kinderen op het studieprogramma. Een voorbeeld is Ecatarina (foto). Een meisje in klas drie die best sommen kan maken, maar moeite heeft met een stukje basis zoals getallenlijnen en patronen herkennen en afmaken. Op school is zij druk bezig om de tafel van twee te leren waar ze ongelooflijk veel moeite mee heeft. Dat ze er moeite mee heeft verbaasd mij dus niet, omdat ze de basis niet begrijpt. Wat je uiteindelijk overhoud is een gefrustreerde juf en een onzekere Ecatarina die elke keer alles fout doet.

Wij kunnen concluderen dat er veel kinderen onzeker zijn en werken onder een mechanisme waardoor er een stuk basis wegvalt in het logisch denken en het begrijpen wat je doet. Op het studieprogramma moeten wij hier ongelooflijk veel aandacht aanbesteden en proberen we die onzekerheid en het mechanisme weg te halen door positief te benaderen en vooral veel geduld hebben. Je zou haast zeggen dat de lagere school heel erg slecht personeel heeft als het gaat om lesgeven. Maar u moet wel begrijpen dat deze onderwijzers opgeleid zijn in de tijd van het communisme en dus ook niet anders weten hoe ze het moeten aanpakken. Het onderwijssysteem die prestatiegericht is geeft de kinderen weinig tijd tot ontplooiing en onderwijzers weinig tijd tot optimaal lesgeven waarin nu alles in korte tijdbestek het lesprogramma erin gestampt wordt. Wie niet kan volgen moet achter de feiten aanlopen. De school wacht echt niet op jouw. Ik zie de lagere school als het ware net als de Tour de France bij het wielrennen met de uitspraak van Mart Smeets, “de tour wacht op niemand”. Eigenlijk is dat best hard want voor de meeste kinderen is het onderwijssysteem te hoog gegrepen.

Wilt u meer verhalen over mij lezen? Ga dan even naar http://bramvanhouwelingen.blogspot.com/  


Logo

Nieuwsbrief

Inlogformulier